akoestische grootheden contactgeluid

grootheden contactgeluid


Kort overzicht van de meest gebruikte akoestische grootheden.


akoestische grootheden in het labo ≠ grootheden in-situ


Ln = genormaliseerd contactgeluidniveau van de "naakte draagvloer"


Ln karakteriseert de volledige vloeropbouw

contactgeluidniveau naakte draagvloeren

Bovenstaande grafiek =Ln per tertsband van 3 verschillende naakte draagvloeren.


Ln = gestandaardiseerde klopmachine op de naakte vloer in de bovenste ruimte, microfoon in de onderliggende ruimte en registreren hoeveel contactgeluid er per tertsband doorkomt.

Hoe lager Ln, hoe  beter. De massieve vloer isoleert "naakt" veel beter contactgeluid dan de lichtere houten draagvloeren (met uitzondering voor het hoogfrequent contactgeluid waar de 14 cm CLT vloer naakt beter scoort.)


Massieve draagvloeren isoleren door hun hogere oppervlaktemassa vooral veel beter laagfrequent geluid.




Onderstaande grafiek = ∆L per tertsband van 2 zwevende dekvloeren.


Eerst klopmachine op de naakte vloer, vervolgens klopmachine op de naakte vloer + zwevende dekvloer en per tertsband in de onderliggende ruimte registreren hoeveel contactgeluid er doorkomt.


∆L  = Ln naakte vloer   –   Ln vloer+zwevende dekvloer

contactgeluidsisolatie zwevende dekvloer


∆L karakteriseert de zwevende dekvloer



Hoe groter ∆L, hoe beter.

 

Een zwevende dekvloer is een goede oplossing: daar waar de naakte draagvloer zwakker presteert isoleert de zwevende dekvloer goed het contactgeluid.


contactgeluid karakteriseren:  


grootheden in het akoestisch labo: Ln,w en ∆Lw



genormaliseerde contactgeluidsniveau Ln,w


Gewogen & genormaliseerde ééngetalsaanduiding is het geluidsniveau dat in het onderliggende lokaal  geregistreerd wordt.


De gestandaardiseerde klopmachine is de geluidsbron.


Naarmate de prestaties van de onderzochte vloeropbouw beter zijn, zal de Ln,w-waarde lager zijn:

  • Ln,w 14 cm betonplaat ± 82 dB
  • Ln,w 14 cm betonplaat + zwevende dekvloer ± 64- 52 dB



 

gewogen  contactgeluidsniveaureductie ∆Lw is de waarde die we op TF van contactgeluidsisolatie terugvinden


∆Lw is niet meer of minder dan  de verbetering van de contactgeluidsisolatie van de naakte 14 cm dikke betonplaat door deze van een zwevende dekvloer te voorzien die bestaat uit een laag contactgeluidsisolatie en 5/6 cm zand/cement chape.


Op basis van de  rekenprocedure EN ISO 717-2 bepalen  de akoestische laboratoria de ∆Lw.


Deze grootheid zal hoger zijn als de akoestische prestaties van de dekvloer verbeteren. Omdat alle akoestische laboratoria op een  14 cm betonplaat en + 5/6 cm zand/cement chape bovenop de isolatie testen zijn de prestaties van de contactgeluidsisolatie onderling vergelijkbaar. Theoretisch dan toch, in werkelijkheid kan er enkele dB verschil tussen diverse akoestische labo's zitten.


∆Lw is enkel  representatief voor de geteste vloeropbouw en dus niet voor de elastische onderlaag alleen. Indien er in het labo afwijkend van de norm wordt getest bekomt men op basis van dezelfde akoestische onderlaag andere ∆Lw waardes.


Indien op de bouwplaats een andere dan bij de laboproef gebruikte vloerplaat of  dekvloer geplaatst worden zijn de ∆Lw waardes die op de technische fiches van de contactgeluidsisolatie staan niet langer representatief.



Correctiefactoren CI (50,5000) & ΔC


De correctiefactor CI (50,5000) wordt gebruikt om Ln,w beter te laten aansluiten met het loopgeluidspectrum door de optelling Ln,w + CI .


Bij ΔLw tellen we dan weer ΔCI op om een idee te krijgen van hoe goed de zwevende dekvloer voetstappen isoleert. 


Het spectrum van door voetstappen gegeneerde trillingen ligt lager dan 100 Hz terwijl de testprocedure enkel rekening houdt met het spectrum tussen 100 & 3150 Hz. Voor massieve vloeren die "naakt" goed laagfrequent geluid isoleren maakt dat niet zo veel uit, maar voor lichte houten vloeren die "naakt" slecht laagfrequent geluids isoleren wel.


grootheid in-situ in een residentieel gebouw: L’nT,w


De Belgische akoestische normen m.b.t. contactgeluid voor residentiële gebouwen zijn gebaseerd op  het in situ gemeten gewogen gestandaardiseerde contactgeluidsniveau L'nT,w.




Akoestische normen m.b.t. contactgeluid

Belgische Akoestische normen contactgeluid

Het verschil tussen de Ln,w van dezelfde vloeropbouw in het akoestisch lab en de in-situ gemeten L’nT,w ligt in de toegepaste correctiefactor maar vooral in het feit dat ook de flankerende contactgeluidstransmissie een rol speelt in het afgewerkt gebouw.


De door de gestandaardiseerde klopmachine opgewekte trillingen worden niet alleen via de vloerplaat doorgegeven aan de onderliggende ruimte maar ook via wanden die in contact staan met de vloerplaat.


De opgewekte trillingen stralen via de vloerplaat en de flankerende muren van de ontvangstruimte af.


Naarmate de akoestische prestaties van de vloeropbouw beter zijn en de flankerende muren zwaarder zijn zwakt de bijdrage van de flankerende geluidstransmissie in de globale contactgeluidstransmissie tussen de 2 ruimtes af.


Met behulp van rekenmodellen kan men tijdens de ontwerpfase van een nieuwbouw of renovatieproject voorspellen aan welk akoestisch comfortcriterium de vloeropbouw voldoet.



L’nT,w tijdens de ontwerpfase voorspellen



Dankzij de vereenvoudigde voorspellingsmodellen op basis van de norm EN 12354-2 is het mogelijk om op basis van de op de TF vermelde ∆Lw waarde de in-situ te verwachten L’nT,w te berekenen.


De oppervlaktemassa van de vloerplaat, de oppervlaktemassa van de flankerende wanden en het volume van de ontvangstruimte moeten wel gekend zijn.


In 2 ruimtes met eenzelfde plafondopbouw en flankerende wanden maar met een verschillend volume zullen we in de ruimte met het kleinste volume een hogere L’nT,w waarde meten.


  • ontvangstruimte = 31 m³ = geen impact op L’nT,w
  • ontvangstruimten met een kleiner volume dan 31 m³ = een negatieve impact (hogere L’nT,w)
  • ontvangstruimten met een volume groter dan 31 m³ = positieve impact (lagere L’nT,w)


De vereenvoudigde rekenmethode mag enkel gebruikt worden bij massiefbouw voor boven elkaar gelegen woonruimten met een normale geometrie. Dus enkel voor gebouwen bestaande uit metselwerk en zware homogene draagvloeren en niet voor houtskelet of houtmassiefbouw.



Opmerkingen m.b.t. het vereenvoudigde rekenmodel


Op basis van de rekenmodule kan men bepalen hoe hoog de ∆Lw van de zwevende chape moet zijn om te voldoen aan de akoestische criteria.


Voorwaarde om tot een correcte voorspelling te komen is dat de plaatsingsvoorwaarden en de gehanteerde dikte van de van de chape minstens gelijk moeten zijn aan die in het labo.


In het labo wordt slechts een kleine oppervlakte zwevende dekvloer geplaatst op een perfect effen ondervloer, zonder leidingdoorvoeren of andere doorboringen van de elastische tussenlaag en dat in een omgeving waar de tussenlagen nauwelijks belopen worden vooraleer de zand/cement chape aangebracht wordt.


Mechanische eigenschappen van de elastische tussenlaag zoals bescherming tegen scheuren en perforaties, voorziene naadaansluitingen en draagkracht spelen in-situ een veel belangrijkere rol dan in de beschermde omgeving van het akoestisch lab.



akoestische prestaties in het akoestisch lab ≠ prestaties in-situ


In België is polyethyleenschuim het meest toegepaste type contactgeluidsisolatie.


De schuimen zijn relatief goedkoop en halen in het akoestische laboratorium hoge ∆Lw waardes.


Alleen zijn deze kwaliteiten in-situ niet zo performant als in het akoestisch laboratorium omdat ze gemakkelijk beschadigd raken.


Polyethyleenschuimen werken op basis van het zogenaamde “luchtkusseneffect” en niet op basis van de elasticiteit van het omhulsel. Luchtmoleculen vertonen de onhebbelijke gewoonte om na ververloop van tijd uit een elastisch medium te gaan ontsnappen

.
De dekvloer verzakt en de akoestische tussenlaag wordt dunner en minder elastisch.


De hoge ∆Lw waardes waarmee de fabrikanten van dergelijke producten schermen zijn in het leeuwendeel van de gevallen bekomen door afwijkend van de norm EN ISO 10140 te testen.


In het labo wordt een volledige vloeropbouw getest. Door steeds dezelfde draagvloer en dezelfde chape te gebruiken boven wisselende akoestische tussenlagen is het mogelijk om de akoestische prestaties van de verschillende types contactgeluidsisolatie met elkaar te vergelijken.


Deze norm schrijft voor dat er getest wordt op een 14 cm dikke betonplaat + contactgeluidsisolatie + 6 cm zand/cement chape.
Door afwijkend te testen met dikke uitvullingslagen tussen de draagvloer en de contactgeluidsisolatie of dikkere chapes/betonlagen te gebruiken worden hogere ∆Lw waarden behaald die dan op de technische fiches vermeld worden.


In-situ aangebrachte tussenlagen hebben als grote voordeel dat er geen naden zijn en dat er zonder egalisatiechape over leidingen heen gewerkt kan worden. Het is wel zo dat de waardes die met ter plaatse gestorte contactgeluidsisolatie in het akoestische laboratorium gehaald worden in-situ niet bereikt worden omwille van een niet uniforme dikte (zeker bovenop leidingen).


Rubber en rubbercomposieten werken op basis van de elasticiteit van het materiaal zelf waardoor hun akoestische prestaties stabiel blijven doorheen hun levensduur. Dergelijke materialen tonen een stabiel kruipgedrag en zijn veel hoger belastbaar dan schuimproducten.

droge zwevende dekvloer ≠ traditionele zwevende dekvloer


De ∆Lw waarde van contactgeluidsisolatie die op technische fiches vermeld wordt is in 99% van de gevallen bekomen door te testen op een 14 cm dikke betonplaat en een traditionele chape.


De ∆Lw met eenzelfde tussenlaag onder een 2 cm dikke gipsvezelplaat zal meerdere dB lager liggen dan wanneer ze met 6 cm zand/cement chape belast wordt.


doordachte uitvoering van zowel chapist als vloerbedrijf



De efficiëntie van de zwevende dekvloer hangt af van de kwaliteit van de uitvoering.


Scheuren/perforaties in de elastische tussenlaag of slecht aangebrachte perimeterisolatie zorgen voor contactbruggen die een negatieve impact hebben op de contactgeluidsisolatie. Ook het wegsnijden van de perimeterisolatie voordat de dekvloer betegeld wordt leidt tot contactbruggen omdat het opvullen van de voegvulling de tegels hard verbindt met de flankerende wanden.


Wanneer akoestische bureaus metingen uitvoeren en ze zien dat het gemeten geluidsniveau in de onderliggende ruimte van de vloer niet daalt met het stijgen van de frequenties dan is er sprake van contactbruggen.